Door Jet Quadekker
Mijn allereerste boekje was De weerwolf van Marcelle Vérité (1948). ‘Hij had wolventanden, een vuurrode tong, groene ogen, alles had hij van een wolf. Maar hij was geen ziertje boos. Hij was een schat van een wolf.’ Zijn taak was het om ’s avonds buiten te huilen, zodat stoute kinderen op tijd naar bed zouden gaan. De wolf had een mensenkind als vriend, en wat had ik dat graag willen zijn!

We zijn allemaal opgegroeid met sprekende dieren en hebben allemaal gedroomd van Winnie de Poeh, van de muizen en konijnen van Beatrix Potter. We kennen allemaal de fabels van La Fontaine en de verhalen van Toon Tellegen, en misschien hebben sommige lezers ook nog goede herinneringen aan Lodewijk de mensenredder van Diet Kramer, waarin een teckel vertelt over zijn leven in een mensengezin. Of aan Michiel, de geschiedenis van een mug, van Henriëtte van Eyk. En zeker aan Niels Holgerssons wonderbare reis, van Selma Lagerlöff. En niet te vergeten de dieren van Anton Koolhaas: een mooier verhaal dan Zonder Mia bestaat er niet. En De wind in de wilgen… en Olle… en… en… en…! Het betoverende verhaal van Erik of het klein insectenboek van Godfried Bomans kun je lezen als een Camera Obscura van de wereld der kleine dieren.
Waarom zijn deze verhalen zo mooi? Voor ons zijn dieren nog steeds een mysterie omdat zij anders spreken dan wij, en in de verhalen proberen we dichter bij ze te komen. Felix Salten, de vader van Bambi, die als jager urenlang het wild observeerde, schreef: ‘Een altijd aanwezig geheim omhult het dier als een sluier. Het geheim van zijn taal. Want ze praten allemaal met elkaar. Het geheim van het denken. Want ze hebben hun eigen manier van denken. En nog veel meer andere geheimen. Niets daarvan is onderzocht, niets is waargenomen.’
Omgekeerd spelen dieren ook vaak een rol als het gaat om een aanklacht. Animal Farm van Orwell is daar een mooi voorbeeld van: de dieren gaan steeds meer op mensen lijken. En dan hebben we nu De conferentie van de dieren, van Erich Kästner. Als er één boek een aanklacht is, is dit het wel. De dieren hebben genoeg van oorlogen en eindeloze politieke praatjes. ‘Als ik niet zo blond was, zou ik me ter plekke groen en geel ergeren,’ zegt Alois de leeuw. Omdat vooral kinderen de dupe van de oorlogen zijn, organiseren de dieren zelf een wereldconferentie. Wanneer praten niet helpt, grijpen ze hard in. Kästner vertelt met veel humor over deze dierenconferentie, maar hij laat geen twijfel bestaan over de ernst van de oorlog. ‘Het gaat om de kinderen’ wordt het motto van de grote vergadering.
Erich Kästner (1899-1974) was een veelzijdige Duitse schrijver, in ons land vooral bekend om zijn kinderboeken, maar ook actief als publicist, cabaretdichter en scenarioschrijver. De conferentie verscheen in 1949; Kästner gaf het verhaal de ondertitel ‘Een boek voor kinderen en kenners’ mee om duidelijk te maken dat het ook voor volwassenen is geschreven. ‘We zorgen dat alles in orde komt! We zijn toch geen mensen!’ roept Oskar de olifant. Lezen dus!
- ‘Als ik niet zo blond was, zou ik me ter plekke groen en geel ergeren’
- Moderne profeten: boek of podcast? Allebei!
- Presentatie 'Het lied van de vlinder': zaterdag 15 juni
- Een ochtend in het Museum of Humanity
- Ieder mens is waardevol!
- Ruben Timman: 'Wat je investeert in iemand is terug te vinden in de foto.'
- Pilatus en Yechoua zoeken naar de waarheid - Het evangelie volgens Pilatus
- 'Ik ben het productiefst als dichter als ik geen dag als vandaag heb'
- Christian Wiman in maart in Nederland!
- De waardige mens; 'Crown of Creation'


